Concerten

De Stichting Edgar Tinel zal tussen 2009 en 2012 drie concertreeksen organiseren, namelijk met de muziekdrama's Godelieve, Katharina en Franciscus. In 2009 gaan we van start met twee Godelieveconcerten in Vlaanderen, in 2010 volgen twee Godelieveconcerten in Nederland, om vervolgens in 2011 Katharina te realiseren en in 2012 af te sluiten met Franciscus. De voorbereidingen voor Godelieve zijn momenteel in volle gang. Hieronder leest u alles over dit bijzondere muziekstuk.

OVER GODELIEVE

INLEIDING

Het muziekdrama Godelieve is, naast het oratorium Franciscus en de dramatische legende Katharina, een van Tinels grote meesterwerken. Nog voor hij zijn Franciscus afgewerkt had en de succesvolle uitvoeringen ervan begonnen, groeide in hem het verlangen om een nieuw omvangrijk werk te schrijven dat eveneens een figuur uit de rooms-katholieke kerk zou verheerlijken. Hij dacht daarbij aan Godelieve, de zeer populaire heilige van Gistel, waar zij haar laatste droeve levensjaren doorgebracht had. "De tranen schieten mij in de ogen, wanneer ik aan deze lieve heilige denk", schreef Tinel aan Constance Teichman, de "Engel van Antwerpen" die zoveel Vlaamse kunstenaars in de tweede helft van de 19e eeuw aangemoedigd en beïnvloed heeft. Deze ontroering is te begrijpen als men weet dat Tinel een zeer vroom en gevoelig man was, die zijn kunst als het ware als een priesterschap opvatte.

Het is steeds de droom van Tinel geweest dit verhaal in de taal van de muziek uit te drukken. Zoveel in zijn  omgeving sprak hem over de christelijke heldin en martelares van Vlaanderen. In de vertellingen van zijn moeder vernam hij de eerste verhalen over haar dramatisch bestaan. Zijn vriend, de schilder Jozef Janssens, toonde hem een van zijn werken waarop Godelieve afgebeeld stond. Dat maakte een diepe indruk op hem. Gedurende jaren "dacht hij nacht en dag aan Godelieve" en het muzikaal drama, dat hij aan haar wijdde, mag dan ook terecht de verwezenlijking van een jeugddroom genoemd worden.

HET LEVEN VAN DE HEILIGE GODELIEVE

Zij werd geboren in 1049 op de burg van Londefort tussen Boulogne en Kales. Haar leven was één wijding aan God en aan de armen. Zij was een bevallige verschijning die onmiddellijk de bewondering opwekte van wie in haar nabijheid kwam. Zoals in die tijd in de adellijke kringen gebruikelijk was, werd haar huwelijk buiten haar om geregeld, en met zuiver staatkundige bedoelingen werd zijn  gekoppeld aan Berthold van Gistel, die zij plichtsgetrouw en onderdanig volgde, maar voor wie de achttienjarige geen liefde koesteren kon. Het kasteel van Gistel, waar Godelieve haar kort en tragisch huwelijksleven zou doorbrengen, was een somber slot, in een droeve moerassige omgeving, zonder een enkel vrolijk uitzicht, kortom een eerste ontgoocheling en de voorbode van het droevig lot dat haar daar wachtte. De bewoners waren bovendien meestal ruwe drinkebroers in wier kringen Bertholf zich volkomen thuis voelde. Maar vooral zijn moeder maakte Godelieve het leven ondraaglijk.

Reeds bij de eerste ontmoeting begon zij haar vergif in het hart van haar zoon te storten en spoedig bereikte zij haar doel door hem tegen zijn  vrouw op te hitsen en hem van haar te verwijderen. Terwijl Bertholf zelf een vrolijk leven leidde, liet hij toe dat zijn vrouw door haar schoonmoeder mishandeld en vernederd werd. Hijzelf behandelde haar eveneens als een onwaardige en maakte haar het leven onhoudbaar, zodat zijn ten slotte uitgeput terug naar het ouderlijk slot vluchtte. De algemene ontsteltenis was groot. Prelaten en prinsen bemoeiden er zich mee en verplichtten Bertholf zijn vrouw terug te nemen en voortaan met zachtheid te behandelen. Bertholf veinsde berouw, nam zijn vrouw terug, maar zijn plan was voorbereid. Het treurige leven van Godelieve herbegon tot dat zij in de nacht van 6 op 7 juli 1070 vermoord werd door twee handlangers van haar echtgenoot. Op het einde van zijn leven zal Bertholf, verteerd door berouw en wroeging, de stem van zijn geweten volgen en zich in het klooster terugtrekken.


HET DRAMA DAT HILDA RAM SCHREEF
tinelcover090907-1.jpg
    Personen

  •     Godelieve - sopraan

  •     Elsa, Godelieves vertrouwelinge
        - sopraan

  •     Iselinde, Bertholfs moeder - alt

  •     Oda, kamenier van Godelieve - alt

  •     Riprim, Saksische vrouw - alt

  •     Bertholf, heer van Gistel - bariton

  •     Heinfried, heer van Londefort,
        Godelieves vader - bas

  •     Radbod, bisschop van Doornik - bas

  •     Hakka, lijfknecht van Bertholf - bas

  •     Eustaas, graaf van Boonen,
        leenheer van Heinfried - tenor

  •     Herman, gezant van de graven van Vlaanderen - tenor

  •     Wolfhart, lijfknecht van Bertholf - tenor

  •     Een opperknecht van Heinfried - tenor

  •     Ridders, Edelvrouwen, Knechten, Meiden, Armen, enz.


    Verdeling

  •     Eerste Bedrijf
        Eerste Tafereel. Godelieves bruiloft te Londefort

  •     Tweede Bedrijf
        Tweede Tafereel. Godelieves ontvangst te Gistel
        Derde Tafereel. Godelieves levenswijze te Gistel

  •     Derde Bedrijf
        Vierde Tafereel. Godelieves terugkeer na de vlucht
        Vijfde Tafereel. De Moord
        Zesde Tafereel. De verheerlijking van de heilige.

 

KORTE INHOUD

Vooraf. Godelieve, dochter van Heinfried, heer van Londefort in 't graafschap Boonen (Boulogne), werd bemind door Volkhart van Uxem. Bertholf, heer van Gistel, aartsvijand van Volkhart, vroeg (om deze te vernederen), en bekwam van Heinfried de hand van zijn dochter Godelieve. Godelieve, die helemaal niet aan trouwen dacht, huwde met hem uit genegenheid voor haar vader. - De twee karakters van Bertholf en Godelieve zijn helemaal tegenstrijdig.

De koning van Frankrijk was ook niet heel en al vreemd aan dit huwelijk: door de verbintenis van Bertholf met Godelieve dacht hij zijn invloed in Vlaanderen te versterken, en zo de droom van de Franse koningen, het inpalmen van Vlaanderen, gemakkelijker te verwezenlijken. Voor de eventuele toneelopvoering dient opgemerkt dat de bewoners van Londefort (Zuiderlingen) zwartharig, die van Gistel (Noren) ros - of blondharig waren. Het stuk speelt op het einde van de 11e eeuw.

Eerste bedrijf

Eerste tafereel. Het toneel stelt ons de feestzaal voor van het kasteel Londefort op de morgen van de bruiloft. De meiden vlechten bloemenkronen, de knechten schikken wapens in kransen aan de wanden. Onder dit werk zingt Elsa, Godelieves vertrouwelinge, een droevige ballade, vaak onderbroken door de nieuwsgierige meiden. De hoorn schalt in de verte; Bertholf komt aan, in gezelschap van graaf Staas en hun gevolg. Ze worden door  Heinfried en zijn omgeving verwelkomd. Godelieve, zo schoon in haar wit bruidskleed, verschijnt, betoverend, voor Bertholf, die in vurige liefde voor haar bevalligheid ontvlamt. De stoet begeeft zich naar de kerk, waar het huwelijk ingezegend wordt, terwijl intussen de opperknecht en zijn helpers het feestmaal bereiden, al pratend over Godelieve. Als de plechtigheid afgelopen is, nemen de genodigden, na een heildronk, plaats aan de feesttafels en wedijveren weldra in goede luim en vreugde.

Godelieve alleen deelt niet in het algemeen vermaak. Dit misnoegt Bertholf, en als al de gasten de zaal verlaten hebben, spreekt hij haar onvriendelijk aan, misprijst haar tranen en wordt ruw. Door Elsa binnengeleid, komen de armen Godelieve, hun aanbeden beschermster, vaarwel wensen.

Tweede bedrijf

Tweede tafereel. Het toneel verbeeldt het voorplein van Bertholfs kasteel te Gistel, een lomp, zwart, naakt gebouw. De knechten wachten de terugkeer af van de pas getrouwde heer. En als afwisseling van drinken en brassen, zingt Hakka hun een spottend rondgezang op het verwachte "bruidje". Iselinde braakt haar gal uit tegen de nieuwe vrouw, die haar het meesterschap zal afdwingen, en, "zwarte raaf" van het Zuiderland, het blonde Noordse ras bederven gaat.

Bertholf en Godelieve komen aangereden, onder 't wild gejubel van vrolijke knechten en wapenmeiden.

Vol bittere nijd vraagt Iselinde met barse woorden aan Bertholf hoe hij een zo verachtelijke vrouw kon huwen. Waarop deze koelbloedig antwoordt dat hij met haar enkel trouwde uit jaloersheid. Die verklaring bedroeft Godelieve, doch Iselinde stoot Bertholf in de feestzaal, en gebiedt aan de bruid al haar sieraden in haar handen af te leveren. Daarna verjaagt zij Godelieve, die naar Bertholf om hulp schreeuwt. Als enig antwoord heft Bertholf in de naburige zaal een uitbundig drinklied aan.

Derde tafereel. Het toneel stelt het binnenhof van de burcht van Gistel voor. Godelieve en Elsa zitten onder een lindenboom te borduren. Bertholf en zijn vrienden vertrekken, onder 't zingen van een opgewekt koor, op jacht. Elsa, met Godelieve alleen gebleven, herdenkt het verlaten vaderland, en ze vraagt aan de vogels, wolken en winden, of zij geen troost brengen uit het zuiderland. De armen, "Godelieves kinderen", komen haar hulp vragen, en met een engelachtige liefdadigheid, bedeelt zij hen met al wat haar uit Londefort toegezonden werd.

Dankbaar gaan zij heen. Doch een vrouw - hoewel niet arm - is achtergebleven, met haar kind op de schouder: zij verklaart dat Bertholf de vader is, en zij smeekt Godelieve het kind door haar gebeden van zijn aangeboren blindheid te genezen. Dit bewijs van Bertholfs ontrouw vervult Godelieve met weemoed. Zij vraagt aan God verduldige sterkte, en als Bertholf van de jacht is teruggekeerd, werpt zij zich vol minzame tederheid aan zijn voeten. Zoals te Londefort voelt deze zich nogmaals overmeesterd door die bekoorlijke schoonheid. Hij is op het punt haar wederliefde te schenken, als de helse Iselinde hen verrast en Bertholf verwijten toestuurt. Deze, gans veranderd, doet Godelieve wegsleuren en heft met zijn jachtgezellen een, voor Godelieve honend, feestlied aan: "Geen ketens duldt het mannenhart".

Derde bedrijf

Vierde tafereel. Het toneel verbeeldt een sombere zaal van Gistels kasteel. Godelieve is naar haar vader weggevlucht, niet uit vrees, maar omdat ze het als haar plicht zag. Bertholf legt aan zijn moeder met helse spotternij zijn duivels ontwerp voor. Hij heeft Godelieve teruggevraagd met de belofte haar liefde en geluk te schenken. Hij zal haar gedurende enige tijd liefde veinzen, en dan, als alle achterdocht verdwenen is, haar doen vermoorden.

Een stoet nadert het kasteel. 't Is bisschop Radbod en gezant Herman, die in naam van hun respectieve oversten Bertholf waarschuwen en bedreigen. Bertholf huichelt verdriet, en op zijn herhaalde en uitdrukkelijke bede, wordt Godelieve binnengebracht; die valt op de knieën en vraagt vergiffenis voor de schande hem door haarvlucht aangedaan. Hij vergeeft alles en belooft haar (valselijk) geluk en vrede. De stoet verlaat het sombere slot.

tinelboek090907-2.jpgVijfde tafereel

Het toneel stelt bij schemeravond, een duistere zaal voor van Bertholfs kasteel. Rechts is de deur van Godelieves slaapkamer. Bertholf staat reisvaardig, en na een bittere spotzang op Godelieve, beraamt hij met zijn handlangers Hakka en Wolfhart het schrikkelijke plan: die nacht zullen ze Godelieve vermoorden. Hij zegt aan Godelieve dat hij op bedevaart gaat, en neemt met geveinsde tederheid afscheid van haar. Na zijn vertrek ontstelt Godelieve. Een akelig voorgevoel jaagt de angst in haar hart, haar armen komen haar hun dank betuigen en Gods loon verzekeren. "Eens prijkt ge, een ster, in 's hemels hal". Die woorden verdubbelen haar onrust, doch een vroom gebed schenkt haar de zielevrede terug: gans gelaten beveelt zij aan God Bertholf, haar vader, de armen, en treedt stervensgereed, haar slaapkamer binnen, al fluisterend: "Mij is de dood geen hinderlaag!"...

Hakka en Wolfhart sluipen over het toneel in de kamer, de muziek schildert ons de moord... Haastig keren zij terug, terwijl achter de schermen de engelen de lof van Godelieve aanheffen.

Intussen zijn toneel en zaal in volledige duisternis gedompeld; het gordijn valt niet, doch, als het weer licht wordt zien wij het zesde tafereel.

Zesde tafereel

Het toneel stelt ons de bisschop en het kapittel voor in de hoofdkerk te Doornik. In de kruisgang staat de prachtig versierde relikwiekast van Godelieve. Volk en priesters zingen een loflied op de maagd en martelares. Bertholf treedt binnen in monnikspij, vermagerd, berouw hebbend. Hij verheft de deugden der  heilige en laat zich eindelijk als haar moordenaar kennen. Het volk wil hem verjagen, doch hij roept uit: "Valt op mij neer! Stenig mij! Godelieves gebeden hebben mij gered". Radbod geeft een plechtige uitspraak: Bertholf  zal in boete leven en van de deugden der heilige getuigenis geven!

In een plechtig slotkoor aanroepen allen de heilige Godelieve en eindigen met de machtige kreet: Lof en eer zij God de Heer!

HET MUZIEKDRAMA

Godelieve is een "muziekdrama". Tussen het "drama der muziek" en het "muziekdrama" ligt een hemelsbreed verschil. In het eerste dient de muziek enkel om een deel van het geschreven drama - bijvoorbeeld een toneel - hoger uitdrukking bij te zetten; soms zijn al de opeenvolgende tonelen - dus geheel het drama - op muziek gesteld, maar elk toneel vormt, in muzikaal opzicht, een zelfbestaand, volledig iets, weinig in verband met hetgeen voorgaat of volgt. De muziek brengt de toeschouwer in een stemming, die, in haar geheel, overeenstemt met woorden en handeling; - doch woorden en muziek hebben elk hun afzonderlijke volledigheid en kunnen licht van elkaar gescheiden worden. 't Is een zijden bloem naast een zijden stof.

Meest al de opera's voor 1850 geschreven, mogen als dusdanige drama’s (of komedies) gerekend worden. De beroemdste toondichters in die aard waren Mozart, Meyerbeer, Gounod. In het "muziekdrama", integendeel, ligt de dramatische handeling, evenveel, ja meer, in de muziek dan in de woorden, bij zover dat muziek en woorden onafscheidbaar samensmelten tot een volledigheid en dat elk toneel, ook in muzikaal opzicht, maar een deel uitmaakt van het ganse, éne drama. Het muziekdrama overtreft dus oneindig het "drama met muziek" in eenheid en volledigheid. 't Is een zijden bloem in een zijden stof geweven.

Hieruit volgt dat het muziekdrama als de hoogste uitdrukking der kunst dient aangezien, vermits niet enkel letter- en toonkunde, maar alle neven- en verwante kunsten, (als schilder-, beeldhouw-, bouw-, borduur- en snijkunst) hunwederzijds deel bijdragen om een dergelijk gewrocht in zijn volmaaktheid ten uitvoer te brengen.

Gluck en Weber sloegen de weg naar het muziekdrama in, doch Richard Wagner (1813-1883) wordt terecht voor de stichter van het muziekdrama gehouden. Wagner was even vaardig dichter als bekwaam toonkunstenaar, hij schreef zelf de woorden van zijn drama's, en vaak twijfelt men of woorden of muziek 't eerst uit de pen kwamen. Bij de baanbreker van het muziekdrama was de samengang van beide begaafdheden ook wel onontbeerlijk.

Welke vooruitgang heeft Wagner ingevoerd? De mens heeft een ononderbroken opvolging van gevoelens. Het drama, dat een gesynthetiseerde brok leven is, maakt een samenvatting van die gevoelens. Die gevoelens kunnen bij de mens tot handelende kracht overgaan, 'krachten' (puissances) worden. Het drama is dus de strijd van verschillende krachten; deze zijn de grondbestanddelen van het drama.

Wagner heeft in zijn drama's aan elk van die krachten een muzikale weerklank, een "eenvoudigste uitdrukking" gegeven, ze om zo te zeggen in een plastische vorm gegoten: die "eenvoudigste uitdrukking", die plastische vorm noemt men motief. Hieruit volgt niet dat daardoor de muziekkunst tot een mathematische berekening vervalt. De toondichter is, uit natuur, een uitdrukker van gevoelens. Elk motief, de innigste kern van gevoel, is een vrije, lyrische opspatting van zijn kunstenaarsziel.

De muziek is bij uitstek de uitdrukking van de gevoelens: daaruit volgt dat zij wederkerig, alhoewel woordeloos, een onmiddellijke invloed op de gevoelens uitoefent, zonder dat wij de eigenlijke reden van die macht ogenblikkelijk beseffen. De motieven zullen in ons dus ook de gevoelens opwekken die ons dienen te vervullen, bij het zien van een of ander toneel. Wat meer is, door enige noten voeren zij voor onze verbeelding een gans vroeger ontwaard toneel terug, in woorden, in handeling, in effect, of voorzeggen ons een toekomstige toestand. Zij leiden gedurig de toeschouwer: daarom heeft men ze leidmotief geheten.

Men gist ook uit de voorgaande bemerkingen dat, bij middel van de motieven het drama wezenlijk meermaal gespeeld wordt; dat elk toneel aan verschillende andere, ja, aan het gehele stuk gedurig kan verbonden worden; dat de indruk hoger, vollediger, blijvender is. Dat is Wagner.

     

tinelboek090907-3.jpgTinel

Vermits de gevoelens uitvloeisels zijn van het karakter, die slechts veranderen door de drang der bijkomende omstandigheden, heeft Tinel, in plaats van de weerklank van de abstracte kracht, deze gezocht van de concrete kracht, van het type: hij heeft niet het leidmotief maar het persoonsmotief aangewend. Daardoor is zijn muziek gemakkelijker te vatten, dan deze van Wagner, omdat de ogen hier ter verstanding meehelpen.

Elkeen begrijpt echter hoe onontbeerlijk het is zich voorop die motieven in te prenten, wil men goed het drama genieten.

"Te grote moeite!" zegt misschien een. Wanneer men een heerlijk Alpenzicht bewonderen wil, moet men, na een lange, lastige reis, een hoge berg beklimmen; indien men die bestijging niet per tandspoorweg maar te voet, over keien en klompen en rotsen aflegt, ziet men langzamerhand de gezichtseinder verbreden, nieuwe reuzen rijzen, andere vlakten lachen, talrijker bronnen bruisen; eindelijk op de top van de hoogste spits omvat man, met een onbeschrijfelijke ontroering, en één blik de volmaking van die schoonheid, die men groeien zag en men roept uit: o natuur, wat zijt ge groot!

Aandoenlijker en verkwikkender dan een Alpenzicht is voor ziel en lichaam het genot van een geestgewrocht. En hoe groter de inspanning om het begrip van zijn schoonheid te ontwikkelen, des te inniger de voldoening, des te luider de kreet. "O Genie, wat zijt gij machtig!" - en terwijl ware kunst tot God voert, - des te vuriger de aanbidding: "O God,  o Schepper van 't genie, hoe schoon moet Gij dan zijn!"

't Zijn niet enige nieuwe akkoorden, een buitengewoon kunstige dooreenwerken in 't orkest, indrukwekkende kopereffekten, een schilderende instrumentatie, die Wagner de "grote Wagner" gemaakt hebben. 't Is ook niet omdat Tinel de vooruitgang, die Wagner ons liet, benuttigt, dat men hem een "slaafse Wagneriaan" mag noemen.

Tinel - in tegenstelling met Wagner - behoudt een zweem van godsdienstige stempel, die aan zijn muziek een mystieke, gemoedelijke tint bijzet; aan de stem, enkel als een voornamenorkestpartij hier gerekend, heeft Tinel geen droge, ultra-chromatieke, onsamenhangende intervallen-opvolging, maar een altijd zangerige, volgehoudene melodie toegeschreven; in zijn bewerking, vooral die der koren, schijnt hij met de klassiekers te zingen. Om getrouw te blijven aan de vorm die veel van onze Vlaamse meesters - hij vooral - tot hiertoe verkozen, namelijk het oratorio, gunt hij een zeer ruime plaats aan de koren. Bovenal, door het persoonsmotief heeft Tinel een deel de conceptie van Wagner met bijzondere luister ontwikkeld.

't Is in Godelieve dat Tinel voor 't eerst het persoonsmotief aangewend heeft. Daardoor overtreft dit gewrocht in hoge maat de schone, misschien meer vatbare, maar oneindig min kunstige, min psychologische, min volledige Franciscus. Franciscus is de heerlijke zang van de begaafde jonge man. Godelieve is het reuzenwerk van het rijpe genie.

DE PARTITUREN

Tinel begon met de schets van Godelieve op 4 oktober 1892. Die was klaar op 17 februari 1894. De autograaf (in potlood) van dit werk wordt bewaard in de Koninklijke Bibliotheek te Brussel, Mus. Ms. 401C. Heel wat aanduidingen, correcties en aanpassingen zijn hier later door de componist aangebracht. Dat betekent dat we aan de hand hiervan, van de defintieve partituur en van andere documenten in het Tinelarchief dat bewaard wordt in de Kon. Bibliotheek in Brussel, een grondige studie kunnen maken van het ontstaan en de groei van het werk. (Een kluif voor een musicoloog!).

Als Mus. 400C wordt ook in de Kon. Bibliotheek de autograaf van de orkestpartituur (718 p. in zwarte inkt) bewaard. Het eerste bedrijf werd getekend en gedateerd "Donderdag, den 31n December 1896", het tweede bedrijf getekend en gedateerd  "Mecheleen, den 12 Februari 1897" en het derde bedrijf vermeldt "Mechelen, woensdag in de Goede Week, 14n April 1897.  Edgar Tinel."

Het werk werd nog in 1897 uitgegeven bij Breitkopf & Härtel. De Duitse vertaling werd gemaakt door Elisabeth Alberdingk Thym en de Franse door Gentil Antheunis. Van de gedrukte orkestpartituur worden er verschillende exemplaren bewaard o.a. in de Koninklijke Bibliotheek in Brussel en in de bibliotheken van de Vlaamse conservatoria. Voor de uitvoeringen van 2009 en 2010 beschikten we (na een lange zoektocht) over geen instrumentenpartituren. In opdracht van de Stichting Edgar Tinel werden deze partituren gemaakt o.l.v. dhr. Nikolay Sukach, eerste dirigent van het Academisch Filharmonisch orkest van Chernihiv (Oekraïne).

Als kwaliteitscontrole heeft het orkest de partijen zorgvuldig nagespeeld. Deze partituren kunnen in het Tinelmuseum geraadpleegd worden.

DE UITVOERINGEN

Godelieve werd gecreëerd bij de opening van de wereldtentoonstelling in  Brussel op 22 juli 1897. In de spoorhal-achtige feestzaal van de wereldtentoonstelling in het Jubelpark was de akoestiek zo slecht, dat men op enkele plaatsen bepaald niets hoorde, en op andere niets dan tegen mekaar inschreeuwende klanken.  Op de meeste plaatsen klonk in de oren een onduidelijk ruisen der tonen, waarin rythmus en nuances ondergingen. Enige weken voor de uitvoering, zei de bekende Poncelet, toen de eerste klarinettist van het orkest: "Si la première de Godelieve se fait à l'Exposition, c'est partie perdue". Men hoopte echter door een stampvolle zaal de akoestiek te verbeteren. De proefuitvoeringen in de Muntschouwburg waren overschoon. De beroemde Russische toondichter Glazounoff woonde een der orkestrepetities bij en riep geestdriftig uit dat hij nog nooit in zijn leven iets zo schoons had gehoord.

De dag van de uitvoering kwam. Zesduizend personen waren aanwezig. Maar de akoestiek was slecht, zeer slecht. Poncelet kreeg gelijk. De afgunst, de nijd en de partijhaat deden het overige. Godelieve werd in de pers door het slijk getrokken, zelfs door de katholieke Vlamingen, omdat het werk in het Frans werd uitgevoerd.

Ja! maar waarom werd het in het Frans uitgevoerd? Door een aantal invloedrijke personen werd in 1897 de gemeenteraad van Mechelen verzocht, een subsidie te verlenen tot een eerste uitvoering van Godelieve (in het Vlaams natuurlijk), zoals in augustus 1888 met Franciscus gebeurd was. Niet te doen! De Franse Concerts populaires van Brussel, die, lijk men weet, nooit in het Vlaams zingen, vroegen de toelating, de eerste uitvoering van Godelieve op touw te zetten, en wel ter gelegenheid van de "World's fair".

Die vraag, bekend gemaakt, moest ze voor de Vlamingen geen spoorslag zijn? Vrienden van Tinel deden pogingen om elders een Vlaamse uitvoering tot stand te brengen. Alles te vergeefs! Geen Vlaamse stad, geen genootschap, geen comiteit bood zich aan, wou zich de moeite en de kosten van een uitvoering getroosten! Wilde men de opvoering, men moest het voorstel van de Concerts populaires zich laten welgevallen, en het werk op de wereldtentoonstelling te Brussel in 't Frans ten gehore brengen. Tinel was zo diep verontwaardigd over de verwijten, die men hem hieromtrent heeft gedaan, dat hij zich niet eens de moeite heeft willen geven, erop te antwoorden.

tineltek090907-4.jpgIn 1901 kwam eindelijk het uur der vergelding. In een bestuurszitting van "Met Tijd en Vlijt", het aloude taal- en letterlievend studentengenootschap der Leuvense Hogeschool, werd een voorstel omtrent een uitvoering van Godelieve gedaan en met geestdrift door de bestuursleden ontvangen. De grote zwarigheden, vooral de onkosten aan zulk een feest verbonden, deden evenwel aan de uitvoerbaarheid twijfelen. Doch er vormde zich weldra een comiteit en de hoop ontlook de zaak tot een goed einde te brengen. (o.a. Prof. P. Alberdingk Thijm, kan. J. Sencie, E. Vliebergh, Mej. E. Alberdingk Thijm, M. Belpaire en J. Van den Eynde waren leden). Er werd nu besloten de gehele inhoud der kas van 't genootschap voor deze gelegenheid ter beschikking te stellen, het Davidsfonds en de Regering om subsidies te vragen. Dit geschiedde. Het Davidsfonds verleende een subsidie van 4000 fr., tot voorwaarde stellend, dat het feest zou gegeven worden op de dag der viering van zijn jubelfeest en dat het genootschap generlei verantwoordelijkheid zou moeten op zich nemen. De Regering gaf eveneens een hulpgeld.

Wegens de korte tijd die aan het comiteit overbleef en gezien de grote moeilijkheid der uitvoering van Godelieve, moesten de Koren en het Orkest uit Brussel komen. Een groot orgel werd door de firma Schyven ter beschikking gesteld, een machtig verhoog in de Bériotzaal gebouwd en alles in het werk gesteld om de akoestiek der zaal te verbeteren. Dit gelukte opperbest. 1500 toehoorders en 250 uitvoerders! En zo konden de kosten der uitvoering (ongeveer 22000 fr.) bijna geheel gedekt worden.Veel notabelen, toondichters en muziekcritici waren aanwezig.. "een uitgelezen publiek"!

Maar toch. De bestuurder van een groot liberaal dagblad te Brussel verklaarde "qu'un journal libéral qui se respecte ne peut faire de la propagande, même indirectement, en faveur d'une oeuvre catholique". Met roerende eendracht lieten de liberale dagbladen de uitnodiging van het comiteit onbeantwoord. Gelukkig waren er onafhankelijke critici genoeg afgekomen, die de roem van onze meester over geheel ons land verbreidden. "Wij weten dat er nog grote, Vlaamse kunstfeesten zijn geweest. Maar - ontegensprekelijk! - het grootste, het  verhevenste was dit van den 13n Juni te Leuven."

Dankzij de krachtige samenwerking van orkest, koor en solisten heeft Godelieve een luisterrijke bijval genoten. Professor Alberdingk Thijm was voorzeker de welsprekende tolk van gans het publiek toen hij, onder een donder van toejuichingen, aan Tinel de gulden palmtak aanbood. Toen na het slotkoor het in de zaal een orkaan van handgeklap en bravo's en hoerra's was, terwijl de dames solisten en de dames van het orkest een regen van bloemen naar Tinel wierpen; toen de Meester het publiek groette, met een blik waarin men scheen te lezen: Ik dank U, niet voor uw toejuichingen, maar omdat gij mijn werk begrepen hebt, omdat uw hart het mijne gevoeld heeft; toen daarna hij zelf zijn zangers en zijn orkest toejuichte, was het een aandoenlijk ogenblik, en er pinkelde een traan in menig gevoelig oog.

't Was ook geen wonder dat Tinel, toen hij op straat kwam, door honderden studenten omringd en onder geestdriftig geroep door de straten begeleid werd. Mocht die hulde van de katholieke ontwikkelde jeugd, van de mannen van morgen, de Meester een waarborg zijn van zijn toekomstige roem! Enige ogenblikken nadien zond Tinel zijn gulden palmtak als geschenk aan de kleine kapel der Paters Kapucijnen.

Ondertussen was het werk op 18 april 1899 uitgevoerd in Milwaukee (USA) en in Krefeld (Duitsland) op 27 oktober 1899. Uitvoeringen volgden in Antwerpen, in Doornik, in Bochum (Duitsland) enz. Het werd geen succes zoals zijn Franciscus. Tinel leed daar erg onder. "On s'en repentira plus tard quand on comprendra Godelieve et qu'on saura qu'elle vaut mille fois Franciscus... Godelieve ne sera appréciée que de longues années après ma mort. C'est ce que j'ai fait de mieux." De laatste uitvoering was die van 1965 in de Koningin Elisabethzaal in Antwerpen. Die kwam er na een tussenkomst van .…. Koningin Elisabeth!

Jo De Vos

Directeursconservator van het Tinelmuseum te Sinaai

Geraadpleegde bronnen:

Alb. Vander Elst, Edgar Tinel. Dietsche Warande en Belfort. Gent 1901, p. 5-60.

Joz. Vanden Eynde, Edgar Tinel's Godelieve. Maldeghem 1901.

Paul Tinel, Edgar Tinel. Brussel 1946.

Godelieve van Gistel. Muziekdrama van Edgard Tinel. De Radioweek, Programmablad van de Belgische Nationale Radio-omroep. VIde Jaargang, nummer 28, 9 juli-15 juli 1950, p. 3-5.

Nele Vercauteren, Edgar Tinel (1854-1912). Een levensschets. Catalogus. Brussel, 2004.)